Ik lees Ga je erover schrijven? van Herman Koch. Eerst dacht ik dat ik dat boek nooit zou lezen. Ik hou niet van kanker en ik hou dus ook niet van boeken over mensen met kanker. Dit boek gaat over Kochs kankerdiagnose, maar het gaat ook over zoveel meer. Koch kijkt terug op zijn leven als schrijver en schrijft liefdevol over zijn gezin. Ik ben er daarom toch maar aan begonnen. Ik hou namelijk wel van schrijven en van gezinnen. Nu kan ik het niet wegleggen.
Koch schrijft dat hij zijn moeder verloor op zijn 17e en zijn vader op zijn 27e. Zoiets, ik heb nu geen zin om de exacte leeftijden op te zoeken. Deze ijkpunten in zijn leven hebben hem gevormd. Ze hebben hem gemaakt wie hij is: een gelukkige en succesvolle schrijver. Hij suggereert zelfs dat het een geluk is geweest dat zijn ouders vroeg zijn overleden. Want wie was hij anders geweest? Dat vind ik een mooie gedachte, eentje die ik ook soms heb.
Mijn ouders overleden op mijn 30e en 39e. Eerst mijn moeder, toen vader, zelfde volgorde als bij Herman. De verkeerde volgorde, wel te verstaan. Ik heb veel mijn ouders gehouden, maar ik ben nu toch ook gelukkig. Sterker nog: gelukkiger. Eenmaal ouderloos ontstond er een vrijheid die ik niet eerder had ervaren. De vrijheid om te doen wat ik wil, te zeggen wat ik wil en te schrijven wat ik wil. Niet toevallig ben ik een half jaar na mijn vaders dood onder mijn eigen naam gaan schrijven over mijn geldzaken, nog steeds een onderwerp waar ik veel voldoening uithaal.
Het is alsof je zonder die ouders een nieuwe creatieve bron opent. Of een bron van schaamteloosheid, dat kan ook. Nooit meer heb ik tijdens het schrijven de gedachte: wacht even, kan ik dit wel opschrijven, mijn ouders gaan dit ook lezen? Misschien zijn creativiteit en schaamteloosheid wel hetzelfde. Ik denk het eigenlijk wel.
