Er lag een rijksdaalder op de stoep. De munt was groot en glimmend en ik aarzelde toen ik hem wilde oppakken. Er deden in de jaren tachtig in Noord-Brabant verhalen de ronde over grapjassen die muntjes aan stoepen vastlijmden. Die grapjassen stonden om een hoekje te kijken en te lachen, terwijl jij, een beetje beduusd van zoveel geluk, dat muntje wilde oppakken om er vervolgens achter te komen dat het vastzat. Vette pech. Stond jij even voor paal.
Maar deze rijksdaalder kon ik gewoon oppakken. Voor de zekerheid keek ik nog om me heen, maar niemand kwam rennend op me af om de rijksdaalder op te eisen. Ik stopte hem in mijn jaszak. Op school had ik toen even geen vrienden, dus er was niemand met wie ik deze vondst kon delen. Ik moest dit nieuwe gevoel helemaal zelf verwerken. Achteraf denk ik dat het de eerste keer in mijn leven was dat ik rijkdom voelde. Ik was toen negen.
Toen ik thuiskwam liet ik de rijksdaalder trots aan mijn vader zien. Stop die maar in je spaarpot, voordat hij kwijtraakt, zei hij. Ik had een enthousiastere reactie verwacht.
Boven op mijn kamer realiseerde ik me dat hij gelijk had. En toen voelde ik, nog dezelfde dag, het eerst in mijn leven iets anders: namelijk de angst om rijkdom weer te verliezen.