Sommige mensen hebben altijd geluk. Dat zei mijn vader altijd.
Een keer vond ik een rijksdaalder op de stoep. Ik herinner het me nog goed, het was een van de eerste keren dat ik alleen met de fiets naar school mocht. Van mijn moeder moest ik over de stoepen fietsen en niet de weg op gaan. Aan de voet van de watertoren zag ik iets blinken in de zon. Het was een rijksdaalder. Twee gulden vijftig was zakgeld voor meer dan twee weken. Ik keek om me heen. Niemand kwam aanlopen om een verloren rijksdaalder op te halen.
Ik stopte de rijksdaalder in mijn jaszak. Ernaast lag een balpen. Ik kraste ermee op mijn hand. Hij deed het nog. Die stopte ik ook in mijn jaszak. Die kon nog wel eens van pas komen. Ik voelde me rijk. Dat gevoel, wat de rest van de dag aanhield, was zo levendig en de reden dat ik me dit nog herinner. ‘s Middags wist ik niet hoe snel ik naar huis moest fietsen. Ik botste bijna tegen een auto die opeens uit een oprit tevoorschijn kwam. Mijn vader was in de achtertuin een videorecorder aan het slopen. Kijk, zei ik. Een rijksdaalder.
Sommige mensen hebben altijd geluk, zei mijn vader. Hij keek er misprijzend bij. Ik liep snel naar boven. De rest van de middag speelde ik op mijn kamer met mijn rijksdaalder. Ik had inderdaad geluk.
Mijn vader zei deze zin niet alleen als mensen bij toeval iets gunstigs overkwam. Ook als ze gewoon iets meer hadden dan mijn vader, kon hij het uitroepen. Mijn tante had een keer haar badkamer opnieuw laten inrichten met een ligbad, douche en maar liefst twee wastafels. Wij waren gaan kijken, mijn ouders bewonderden de nieuwe badkamer, maar in de auto terug naar huis zei mijn vader dat hij het protserig vond. Sommige mensen hebben altijd geluk, zei hij. Hij zei dit vaak.
Toen ik ouder werd begreep ik dat hij eigenlijk bedoelde dat hij zelf nooit geluk had.
Wel het intellect, zei hij, niet de mogelijkheden. Wanneer mijn vader precies de hoop had opgegeven weet ik niet, maar het moet al vroeg in zijn leven zijn geweest. Misschien wel rond mijn geboorte.
Mijn vader was niet gek. Hij was vaak de verkeerde man op de verkeerde plek. Ik ging vroeger met hem mee naar het gemeentehuis, waar hij moest verschijnen voor zijn bijstandsuitkering. Er waren loketten. We moesten in de rij staan. Hij was zenuwachtig en ik had het idee dat we iets belangrijks aan het doen waren. Na afloop was hij altijd boos. Ze denken dat ik net zo ben als al die nietsnutten, zei hij dan.
Ik begreep mijn vaders boosheid niet. Toen hij televisiemonteur was, nam hij me mee naar klanten, waar hij kapotte televisies of videorecorders ging ophalen of terugbrengen. Vaak gaven die mensen me een snoepje. Soms kwamen we zelfs helemaal in Breda. We reden dan over de snelweg in een mijn vaders autootje vol televisieonderdelen. De snelweg vond ik prachtig. Mijn vader klaagde onderweg over de domheid van zijn klanten, die nog geen schroef in een televisiekast konden vinden.
Hij ging er steevast van uit dat het leven altijd tegenzit en deed er alles aan om die overtuiging vast te houden. We gingen samen naar de vuilnisbelt, waar mijn vader onderdelen uit kapotte televisies en videorecorders sloopte en mee naar huis nam. Soms vonden we daar ook stoelen en stukken hout die volgens mijn vader nog prima in orde waren. Van dat hout timmerde hij een kast voor in de schuur. Ik vond dat indrukwekkend. Ik kende geen andere vader die zoiets deed.
Ik weet niet of het door zijn aanhoudende opmerkingen is gekomen, maar ik ben er in de loop van de jaren van overtuigd geraakt dat ik zo iemand ben die altijd geluk heeft. Dat heb ik van hem geleerd. Als je iets maar vaak genoeg zegt, wordt het vanzelf waar. Ik zeg het niet hardop, maar in mijn hoofd: ik heb altijd geluk. Ik vind zomaar geld op straat. Ik vind een pen die werkt. Ik heb nog nooit in mijn leven behoefte gehad aan twee wastafels. Ik ben nog nooit opgepakt. Goed, soms doet het pijn om alleen te zijn, maar die pijn gaat altijd weer over. Ik weet in wezen niet eens wat pijn is. Jij bent de meest mindfule persoon die ik ooit heb gezien, zei een maatschappelijk werker ooit tegen mij. Ik weet nog steeds niet precies wat dat betekent, maar ik weet wel dit: toen mijn moeder doodging, was ik erbij om haar hand vast te houden en niet mijn vader.
Ik was in Engeland, op bezoek bij een jeugdvriend, en hij liet me zijn bibliotheek zien. Het was een ongelooflijk zicht, zoveel boeken bij elkaar. De complete woonkamer van zijn Engelse huisje was bibliotheek geworden. 2800 boeken stonden twee rijen dik in boekenkasten langs vier wanden. Veel ging over evolutiebiologie, paleontologie, dieren, astronomie en klimaat – mijn vriend is bioloog. Ook fantasy en sciencefiction namen een aanzienlijk deel in. Er was ook een plankje economie en maatschappij. Met een systeem van letters en cijfers waren alle boeken ingedeeld in de juiste categorieën. Mijn vriend is een echte verzamelaar.
Meer dan de helft van de boeken in zijn bibliotheek had hij nog niet gelezen. Aangezien de verzameling harder groeit dan hij kan lezen, zal dat ook zo blijven. Hij vergeleek het met de bibliotheek van Umberto Eco, de Italiaanse schrijver die aan het eind van zijn leven 50.000 boeken bezat – het grootste deel ongelezen. Dat vond hij niet erg. Iedere goede bibliotheek moest volgens hem veel ongelezen boeken bevatten, opdat we er continu aan herinnerd worden hoeveel we niet weten.
Want hoe meer je weet, hoe meer je erachter komt dat er nóg meer is dat je niet weet. En dat is goed. Onze levens worden vormgegeven door alle onbeantwoorde vragen die we hebben. Het onbekende is wat het leven mooi maakt. Ik pakte een boek uit de kast over mieren en verdiepte me een aantal minuten in de levens van deze harde werkers, de hele dag aan het sjouwen met voedsel en eitjes. Daarna wilden we naar buiten, de stad in. Mijn vriend kocht vele boeken.
‘Waarschuwing! Exhibitionist’ las ik tijdens mijn wandeling op een opgehangen A4’tje. Ik was vanaf de voetbalclub van mijn kinderen het bosje ingelopen. Dat is een van mijn vaste wandelroutes.
Dit keer liep ik wat verder door dan normaal. Het was zaterdagochtend – ik had de tijd en het was prachtig weer. Het Brettenpad, zoals het daar heet, is een fijne plek om te zijn, natuur direct buiten de stad. Ook heel fijn voor stadse exhibitionisten dus.
Ik las het signalement en realiseerde me dat het enigszins overeenkwam met mij, behalve dat ik geen ‘hoedje’ draag. Ik schrok daar niet van. Het was eerder grappig. Dit moest ik thuis vertellen. Om het begrip exhibitionist uit te leggen stond tussen haakjes het woord ‘potloodventer’. Ik betwijfelde of dat wel bij iedereen bekend was.
Er stond ook een uitleg van wat er gebeurd was. Een vrouw was lastiggevallen. Zij zag ‘als zij opkeek een man staan met zijn broek naar beneden te onaneren.’ Dat laatste woord werd dan weer niet uitgelegd. De man was gevlucht, zodra ze naar hem begon te roepen. Ook stond er deze uitleg hoe te handelen: ‘Niet wegrennen, maar schreeuwen. De man doet verder niets.’
Die laatste zin ontroerde me. De man doet verder niks. Dat is wat een hondeneigenaar naar je roept, als zijn hondje opeens staat te snuffelen aan je kruis. ‘O, die is gewoon enthousiast, hij doet verder niks hoor.’ De potloodventer veranderde in gedachten van een grensoverschrijdende engerd in een overenthousiast knuffeldier.
De potloodventer deed me denken aan de kinderlokker, een ander soort vieze man, waar we vroeger allemaal bang voor waren. Ik heb nooit een kinderlokker gezien. Ook geen potloodventer trouwens, maar dat is misschien logisch. Ze bestaan wel degelijk. En ze doen natuurlijk wel iets. Ze ontnemen je je gevoel van veiligheid. Ik liep een andere route terug naar de voetbalclub.

Afgelopen november besloot ik om piano te gaan spelen. Dit wil ik al mijn hele volwassen leven, maar elke keer dacht ik: nu is het eigenlijk te laat. Dat dacht ik in november ook, maar gelijk daarachteraan dacht ik: fuck it, ik kijk wel hoe ver ik kom. Dat soort momenten, waarop je fuck it denkt, zijn bijzonder en komen in mijn geval niet zo vaak voor, dus die koester ik.
Eerst moest ik een piano kopen. Het moest een akoestische piano worden. Een echte. Dat vond ik mooier. Ik had ook kunnen zeggen dat de klank beter is, maar eigenlijk hoor ik dat verschil helemaal niet.
Op Marktplaats vond ik een Schimmel. Dat klonk degelijk. Hij was zwartglanzend. Dat glanzen vond ik minder mooi, maar ze boden hem aan voor 1500 euro. De euforie van de beslissing zat nog in mijn lichaam, dus ik zei dat ik hem wilde. Toen kwam het probleem. Hoe kreeg ik dat ding in mijn huis? Hij moest bij de verkoper uit de woonkamer (trappetje omhoog en vanaf de voordeur trap naar de straat) en bij ons in het souterrain (trap naar beneden). Hij was bij hen ook binnen gekomen, zei de verkoper, dus dat moest wel lukken. Ze kende een verhuizer.
Ik nam contact op met de verhuizer. Die had eigenlijk geen tijd maar wilde het toch proberen. Ik stuurde foto’s van de trappen. Hij verzette steeds de afspraak en toen kwam de aap uit de mouw: de piano moest toch over ons huis heen worden getakeld. De hijskraan kon hij regelen. Toen was ik wel klaar met het idee van een akoestische piano. Ik reed naar Van Kerkwijk Piano’s in Amstelveen en kocht voor het geld dat ik alleen aan de verhuizing kwijt zou zijn geweest een elektrische piano van Kawai.
Van Irene moest ik op les. Vijftien jaar geleden heb ik ook al eens een elektrische piano gekocht. Toen met het idee: ik ga wel eens eventjes piano leren spelen – hoe moeilijk kan het zijn? Ik kocht een lesboek voor volwassenen. Alfred’s Pianomethode voor Volwassen heette het boek. Daarmee moest het wel lukken.
Na een half jaar gaf ik op, en verkocht ik de piano. Daarom moest ik deze keer wel op les. Niet zozeer omdat ik dan beter zou leren, maar vooral omdat ik dan iedere week de druk voelde om te blijven oefenen. Voor dat laatste is een docent heel nuttig, maar dat begreep ik destijds nog niet.
Ik vond Fidessa, een pas afgestudeerde muzikant die muzieklessen verzorgt voor kinderen en volwassenen. Met haar ben ik nu bijna een jaar bezig met Alfred’s Pianomethode. Het gaat langzamer dan ik dacht. Soms geneer ik me kapot, als ik me op de piano in de muziekschool traag en aarzelend door een simpel bluesliedje heen worstel, waar ik met mijn non-techniek vakkundig alle blues en swing uit heb gesloopt.
Deze zomer overwoog ik te stoppen. Beleefde ik er nog wel lol aan? Maar als ik nu opgaf, bedacht ik, dan moet ik over vijftien jaar wéér opnieuw beginnen. Dat kan ik nu al voorspellen. Doorzetten dus. Zodat ik over vijftien jaar een voorspong heb van zestien jaar op mezelf in de alternatieve tijdlijn waarin ik nu stop. Zoiets dacht ik. En het werkte. Ik ging afgelopen september door.
Wat me ook geholpen heeft is terug te gaan naar de eerste pagina’s van Alfred’s Pianomethode. De liedjes die een jaar geleden loodzwaar voelden en die ik voor mijn gevoel maar half in de vingers had, kwamen er opeens bijna perfect uit. Nou ja, niet perfect dus, maar het voelde dit keer wel goed om ze te spelen. De weerstand in mijn vingers was veel minder dan toen. Dus er was toch vooruitgang. Soms moet je terug gaan om vooruit te komen.
Een maand geleden gaf ik mezelf een nieuw project. Afvallen was dat project. Het doel was om in ieder geval vijf kilo lichter te worden.
Is dat gelukt?
Als ik de getallen in mijn voordeel afrond wel.
En waarom zou ik de getallen niet in mijn voordeel afronden? Alles voor de motivatie.
Ik ging van 80,3 kilo naar 75,5 kilo
Dit is hoe ik het heb gedaan:
Bij 1. Dit was niet heel moeilijk, omdat ik dit toch al weinig deed.
Bij 2. Dit was erg moeilijk. In het begin. Maar omdat ik wel vaker een maand of wat alcoholvrij ben geweest, wist ik dat je door die lastige eerste weken heen moet en dat het daarna makkelijker wordt.
Wat helpt is: gewoon geen alcohol in huis halen. En ook: een nieuw standaarddrankje hebben dat je zonder na te denken kan bestellen in cafés en op borrels. In mijn geval was dat eerst bier. Nu is het tomatensap. Met een kleine scheutje Worcestershiresaus.
Bij 3 en 4. Als ik hardloop, haal ik die 10.000 stappen sowieso. Op andere dagen moet ik mezelf dwingen een uur te wandelen. Wandelen is een project op zich, ook goed voor inspiratie.
Bij 7. Aan de boodschappen of menu’s is niks veranderd. Dat is al moeilijk zat met twee jonge kinderen. Ik let wel op dat ik geen restjes ga zitten verwerken aan tafel. Kinderborden leegeten bijvoorbeeld. Natuurlijk is het zonde als ze iets lekkers laten liggen. Maar ik eet het niet meer op, enkel omdat het zonde is om weg te gooien. Ja, afvallen leidt tot meer afval.
Naast kilo’s scheelt dit project me ook geld, omdat ik minder alcohol en snacks koop. De enige investering was een stappenteller van 15 euro bij Decathlon.
Wat wel mislukt is: het was de bedoeling om niet obsessief met mijn gewicht bezig te zijn de afgelopen maand en hooguit een keer per week op de weegschaal te gaan staan.
Dagelijks wegen is verwarrend. De resultaten lijken op beurskoersen, ze gaan op en neer. Je rekent je te snel rijk of arm. Pas op de lange termijn gaan ze in de goede richting.
Deze maand ga ik door met dit project. Ik wil een buffertje onder de 75 kilo hebben, voordat ik weer wat minder streng word. 72,5 zou ideaal zijn.
Ik merk dat het allemaal goed vol te houden is. Ooit ga ik wel weer een alcoholisch drankje nuttigen. En ooit hoef ik ook niet meer strikt iedere dag 10.000 stappen te zetten.
Maar vandaag nog wel.
Ik stond te wachten bij school, toen ik opeens een luide krak hoorde. Verderop in de straat was een busje net over een skateboard gereden. Op het busje stond heel groot het woord rioolinstallatie. Het skateboard lag op zijn kop op straat. Hoe het daar kwam had ik niet gezien.
Een man kwam aanlopen met een loshangend vest en een wijde broek. Hij pakte het skateboard van de straat en hield het rechtop vast, als een wapen. Hij liep langs het busje dat inmiddels stilstond en met een nog veel luidere klap dan daarnet sloeg hij met het skateboard het raampje in naast de bestuurder. Glas viel overal. De skater beende door en sloeg verderop met zijn skateboard nog een paar keer tegen de zijkant van een ander busje, deze keer van PostNL. Hij vloekte erbij. Zijn gedrag was honderd procent frustratie. Dat wist ik zeker. Ik herkende deze emotie uit duizenden.
Toen liep hij een straat in waar ik hem niet meer kon zien. Anderen wel. Iemand was al aan het filmen. Een ander persoon stond te bellen, waarschijnlijk naar hulpdiensten. Een groepje, waarin ik ouders van school herkende, stond vanaf het kruispuntje te kijken naar de skater die, zo begreep ik uit hun blikken, verderop in de straat nog meer schade aanrichtte. De chauffeur van rioolinstallatiebusje was uitgestapt en met een bebloed hoofd tegen zijn eigen busje in elkaar gezakt. Omstanders hielpen hem. Een motoragent verscheen. Er werd meer gebeld en gefilmd. De motoragent ging achter de dader aan.
Mijn dochter kwam uit de poort van school lopen en begon gelijk te praten over het schoolreisje naar Duinrell en over hoe ze haar angst had overwonnen en in een achtbaan was gegaan en daarna nog zeven keer. Ik keek naar het gebroken glas op straat, besloot er niks over te zeggen en samen liepen we naar de fietsen. Het was september, 2025 en de herfst was begonnen.
Het stormde toen we over de snelweg naar Arnhem reden. Waaien deed het al. Ik moest bijsturen om niet op een andere rijstrook te beladen. Toen werd het donker en ging het regenen. Van die zware druppels waren het, die met honderden doffe klappen tegelijk op de auto landden. Zelfs met de ruitenwissers in de hoogste stand was het zicht te slecht om door te blijven rijden. Ik remde af. We reden ten slotte 40 kilometer per uur op de rechter rijstrook. Ik concentreerde me op de rode achterlichten van de auto voor me, want die rode achterlichten waren het enige dat ik buiten nog zag. Het liep goed af.
In Arnhem zagen we een voorstelling over een klimaatramp. De aarde was in een woestijn veranderd, drinkwater was schaars. Het liep niet goed af.
Toen ik de volgende ochtend de recensie zat te schrijven, kwam er in de gracht voor ons huis een zwanengezin voorbij: twee witte en vijf grijze zwanen. Ze keken naar binnen en zagen mij zitten. Ze bleven kijken. Misschien dachten ze dat ze brood zouden krijgen. Ik heb ditzelfde zwanengezin al eens eerder oud brood staan geven.
Toen brak opeens een van de witte zwanen los uit de groep. Aan de overkant was een zesde, grijze zwanenjong verschenen. Dit jong was kleiner dan de anderen, waarschijnlijk uit een ander nest. De volwassen zwaan vloog erop af en begon het vreemde jong weg te jagen. Toen het kleine zwanenjong bij een brug over de gracht in hoek was gedreven, begon de grote witte zwaan het in de hals te bijten. Het bleef maar hameren op het kleintje met die grote snavel. Toen gingen ook de andere vijf grijze zwanen meedoen. Het was gruwelijk om te zien. Ik rende naar de keuken en pakte vers brood, dat ik verscheurde en in het water gooide. Meteen kwamen alle grote zwanen naar me toe om het gulzig op te schrokken. Het kleintje zwom verderop snel onder de brug door. Dat liep goed af, maar ik was bang dat het uitstel van executie was.
Ik wilde een verhaal schrijven, maar het lukte me niet om een verhaal te schrijven. Daarom schreef ik me in voor een cursus proza bij de Schrijversvakschool. Je hebt daar ook de cursus roman schrijven. Ik heb op eigen houtje al twee romans geschreven de afgelopen 20 jaar. Die vond ik eigenlijk te slecht om aan iemand te laten lezen. Maar ik deed het toch. De afwijsbrieven bevestigden mijn oorspronkelijke vermoeden. Ik dacht, laat ik nu eerst eens een kort verhaal proberen. Proza, zoals ze het op die school noemen. Je rent ook eerst 5 kilometer, voordat je de marathon probeert.
Mijn klasje kwam acht keer bij elkaar in een krakkemikkig pand aan de Herengracht. Sommige andere cursisten waren pas net begonnen met schrijven. Wij waren de eersten die ooit iets van hen lazen. Anderen waren met een roman bezig en gebruikten de cursus om een hoofdstuk af te maken. Dat vond Rashid eigenlijk niet goed, maar hij kon er weinig tegen doen.
Twee mensen zeiden afzonderlijk van elkaar dat ze ‘een succesroman’ wilden schrijven. Deze term bleek afkomstig van oud-cursist Michael Pilarczyk, die met hulp van de Schrijversvakschool een succesboek over succes had geschreven. Deze cursisten waren vooral bezig om zoveel mogelijk lezers te krijgen. Ze stelden vragen als: hoeveel woorden heeft een boek eigenlijk? En: hoe schrijf je als een echte schrijver? Hoe kom ik aan een uitgeverij? En wat verdien je dan? Ik durfde niet te vertellen dat ik al twee mislukte romans en een daadwerkelijk gepubliceerd non-fictie boek verder was. Ik wilde geen aandacht op mezelf richten.
Onze docent was Rashid Novaire, een fijne, zachtaardige schrijver, met een analytische kijk op verhalen en kritiek die enkel opbouwend kon zijn. Dat laatste was niet vanzelfsprekend. Een andere leerling, die bij Rashid aan haar derde cursus begon, vertelde dat docenten er ook met een gestrekt been in kunnen gaan. Haar werk was wel eens finaal afgebrand. Ze had huilende mensen gezien. Velen haalden toen de eindstreep niet.
Bij ons haalde ook niet iedereen de eindstreep. Ik denk dat het niet toevallig was dat dat de aspirant succesboekenschrijvers waren. Fictie schrijven gaat over doorzettingsvermogen, niet over succes. Dat wist ik wel, maar doe het maar eens. Fantaseren over een kant-en-klaar eindproduct en een juichende massa is een val waar ik ook nog wel eens intrap.
Ik schreef in die acht weken een verhaal over een zoon die zijn oude vader bezoekt en een trauma probeert te bespreken. Het gaat over verwaarlozing, een onveilige jeugd. Het was niet autobiografisch, maar bevatte toch meer autobiografische elementen dan ik had gewild. De opbouwende kritiek was dat het een goed geschreven verhaal was, maar dat er misschien wat meer mysterie in mocht. Ik moest niet alles willen uitleggen. Laat in je tweede versie wat te raden over aan de lezer, zei Rashid. Het lukte me niet om die tweede versie te schrijven. Ik vond de eerste al een succes.
Ik had een kater. Dat was even geleden, dat ik een kater had, maar dit keer was het anders. Sowieso had ik niet verwacht om wakker te worden met een kater in een alcoholvrije maand, maar goed, dat soort dingen gebeuren. Daar kan je weinig aan doen.
We gingen naar een bijzonder restaurant. We hadden iets te vieren. Er was familie en alle kinderen waren ondergebracht op tijdelijke adresjes. We waren voor vierentwintig uur ontsnapt aan de dagelijkse realiteit. Dan gelden de regels niet. Dan moet je eigenlijk regels willen overtreden. De chef kwam aan onze tafel staan en bereidde ons voor op wat hij een culinaire reis noemde. Hij had zelfs de bijbehorende vliegtickets van deze reis geprint. De wijnen zouden van uitmuntende kwaliteit zijn, dat voelde je aan alles. Hoe vaak kan je nou wijnen drinken van uitmuntende kwaliteit?
Ja, hoor, doet u maar het wijnarrangement. Zes gangen, dat moest wel kunnen. Dat bijna de hele tafel vroeg om een arrangement met halve glazen, vond ik flauw. Als je het doet, moet je het ook goed doen, toch? Mijn zwager liet mij kiezen. ‘Ik doe wat jij doet,’ voerde hij de druk op. Ik kon hem niet laten zitten. Doet u ons maar hele glazen. Wat ik niet had voorzien was dat er gaandeweg het diner aperitiefjes, amuses en complete gangen bijkwamen. In totaal dronk ik negen, dure glazen. Moest kunnen, volgende week ga ik weer wandelen hoor.
Hoe ik die avond in bed was beland wist ik niet meer, maar de volgende dag werd ik nog dronken wakker. Duizelig, misselijk en met een venijnige hoofdpijn probeerde ik op te staan. Water, kreunde ik. Irene bracht water met een strip paracetamol erbij. Daarna ging ze zwemmen. Een uur lang probeerde ik me tevergeefs een houding te geven. Alles was zwaar, zelfs in bed liggen. Muziek luisteren maakte me misselijker. Ik hoorde het suizen van mijn bloed over de muziek heen. Ik strompelde door de kamer. Stootte mijn teen. Bladerde door de Michelingids die er lag, waar het restaurant met een ster in stond, maar de kleine letters begonnen voor mijn ogen te dansen. Hiervan moest ik een kwartier bijkomen in bed. Overgeven zou verlossing brengen, maar het lukte me niet.
Over twee uur zouden we ter afsluiting een vijfgangen ontbijt hebben. Hoe ging ik dat overleven? Het gaat me niet lukken, jammerde ik. Ik voelde me schuldig en zielig en klein. Irene was veel begripvoller dan ik verdiende. Wandelen, ik moest wandelen. We gingen samen naar buiten en liepen drie kwartier door de bossen. Dat hielp een beetje. Het was prachtig weer die zondagochtend. Op de golfbaan was het druk. Ik zag groepjes mannen met handschoentjes en golfstokken in de weer. Het gras was knalgroen. Ik wilde opeens ook leren golven. Wat een relaxte sport, dacht ik. En je haalt meteen je dagelijkse 10.000 stappen.
Ik liet vier van de vijf gangen van het ontbijt aan me voorbij gaan. Ook de jus d’orange liet ik na een slok staan. Deze was zo zuur dat ik meteen opstond en een kwartier op de wc zat om bij te komen. Ik sneed een croissant in piepkleine stukjes en at die een voor een op. Ik pikte het fruit uit een hangop met sabayon en liet de rest staan. Er kwam nog een etagère vol met gerechtjes. Och, kijk nou toch eens wat mooi, kreunde ik. En wat jammer dat ik er niks van ga eten. Na het ontbijt, toen ik weer in beweging kwam, klaarde mijn hoofd op. Het was tijd om naar huis te gaan. Katers, ze worden zeldzamer en zeldzamer in deze periode van mijn leven, maar wel steeds duurder.

Ik lees Ga je erover schrijven? van Herman Koch. Eerst dacht ik dat ik dat boek nooit zou lezen. Ik hou niet van kanker en ik hou dus ook niet van boeken over mensen met kanker. Dit boek gaat over Kochs kankerdiagnose, maar het gaat ook over zoveel meer. Koch kijkt terug op zijn leven als schrijver en schrijft liefdevol over zijn gezin. Ik ben er daarom toch maar aan begonnen. Ik hou namelijk wel van schrijven en van gezinnen. Nu kan ik het niet wegleggen.
Koch schrijft dat hij zijn moeder verloor op zijn 17e en zijn vader op zijn 27e. Zoiets, ik heb nu geen zin om de exacte leeftijden op te zoeken. Deze ijkpunten in zijn leven hebben hem gevormd. Ze hebben hem gemaakt wie hij is: een gelukkige en succesvolle schrijver. Hij suggereert zelfs dat het een geluk is geweest dat zijn ouders vroeg zijn overleden. Want wie was hij anders geweest? Dat vind ik een mooie gedachte, eentje die ik ook soms heb.
Mijn ouders overleden op mijn 30e en 39e. Eerst mijn moeder, toen vader, zelfde volgorde als bij Herman. De verkeerde volgorde, wel te verstaan. Ik heb veel mijn ouders gehouden, maar ik ben nu toch ook gelukkig. Sterker nog: gelukkiger. Eenmaal ouderloos ontstond er een vrijheid die ik niet eerder had ervaren. De vrijheid om te doen wat ik wil, te zeggen wat ik wil en te schrijven wat ik wil. Niet toevallig ben ik een half jaar na mijn vaders dood onder mijn eigen naam gaan schrijven over mijn geldzaken, nog steeds een onderwerp waar ik veel voldoening uithaal.
Het is alsof je zonder die ouders een nieuwe creatieve bron opent. Of een bron van schaamteloosheid, dat kan ook. Nooit meer heb ik tijdens het schrijven de gedachte: wacht even, kan ik dit wel opschrijven, mijn ouders gaan dit ook lezen? Misschien zijn creativiteit en schaamteloosheid wel hetzelfde. Ik denk het eigenlijk wel.
