Heer

Ik probeerde een afspraak te maken met mijn kapper. Ik wilde
liefst onmiddellijk langskomen. Mijn kapper zat helemaal vol de komende vier dagen.
Dinsdag had hij weer een plekje. Dinsdag moest ik werken. Dinsdag vond ik sowieso
geen dag om naar de kapper te gaan. Ik zei dat ik het dan even liet zitten. De
jongen aan de lijn zei: Geen probleem, heer. Ook zei hij: Nog een fijne dag, heer.
De assistent van mijn kapper noemde me heer. De vorige keer dat ik daar was
noemde deze jongen me ook steeds heer. Gaat u daar maar zitten, heer. Het klonk
een beetje vreemd en ook ongemakkelijk. Ik had daar niet om gevraagd. Maar iedereen
werd zo genoemd. Onderdeel van het concept, bedacht ik. Vrouwen kwamen nooit bij mijn kapper.

Ik stak de telefoon terug in mijn jaszak. De rest van de
middag had ik opeens vrij. Ik fietste door de stad. Achter het centraal station
reed ik minutenlang achter een klein meisje op een klein fietsje. De moeder
reed naast haar dochter en was niet van plan om ruimte te maken om de steeds
groter wordende groep fietsers achter haar in te laten halen. Ik verwachtte dat
mensen zouden gaan bellen of roepen. Niemand belde of riep iets onaardigs. In
een paar lange minuten reden we met zijn allen met vijf kilometer per uur achter
het centraal station langs, het kleine meisje, dat erg haar best deed, en haar
moeder voorop. Het was een beetje vreemd en ook mooi. Ik fietste over de
Haarlemmerweg naar huis. Het waaide. Het was druk. Ik zweette en mijn
haar zat in de war.

6 april 2016